Enkele originele Cubaanse Estudiantina-groepen

Estudiantina Invasora

Het nog enige bestaande Estudiantina-orkest in Cuba is opgericht door de broers Manuel en Luís Valera Carvajal op 24 februari 1927 te Santiago de Cuba. De 1e bezetting bestond uit 9 muzikanten: Filiberto Martínez (trompet), Antonio Fernández (tres), Pedro Fernández (gitaar), Eduardo Nápoles (contrabas), Alberto Miró (guitaar), Roberto Nápoles Castillo (gitaar), Félix Nápoles Castillo (clave), Luis Varela Carvajal (güiro) & Manuel Valera Carvajal (eerste stem). Dit legendarische orkest dat de tand des tijd heeft doorstaan heeft de Estudiantina-traditie in stand weten te houden. Natuurlijk heeft dit orkest door alle jaren heen vele verschillende formaties gehad maar de basis van de authentieke sound en swing heeft het altijd weten te behouden.

Enkele grote namen van muzikanten die in dit orkest gespeeld hebben zijn onder andere: Reinaldo Creagh Verane, Amado Machado, Roberto Nápoles Castillo, Arístides Torres, Euclides Roberto Videaud, Pedro Fernández, Antonio Fernández, Victor Rize Carvajal “Papitín”, Pastor, Geronimo Martínez, Marcelino “Baby”, Rey Cabrera Castallano.


De laatste leider was de legendarische trompetist en grootmeester “Inaudis Paisán Mallet”. Paisán nam in 1994 het vaandel over van de welbekende Reinaldo Creagh Verane die naar de nieuw opgerichte “La Vieja Trova Santiaguera” ging. Het eerste wat Paisán deed als nieuwe directeur van het Invasora was zijn goede vriend Roberto Nápoles Castillo (die bij de oprichting van Estudiantina Invasora in 1927 aanwezig was en reeds gepensioneerd) uitnodigen om weer bij het Estudiantina Invasora te komen spelen. Roberto heeft tot aan zijn dood, (3 januari 2011) dit orkest (met zijn enorme kennis van deze muziek en prachtige manier van spelen) aangevoerd met zijn contrabas-spel. Roberto Nápoles Castillo, deze bijna 100 jaar geworden oude man (en de vader der veteranen, zoals hij zich trots zelf noemde) heeft de wereld laten zien wat de kracht en echte liefde voor de Cubaanse traditionele muziek inhoudt.


Estudiantina Invencible

Vrij vertaald: de onoverwinnelijke studenten. De studentengroepen uit de oostelijke regio van Cuba waren een andere uitdrukking van dezelfde Cubaanse muziek traditie als de Sextetos en Septetos. Het grootste verschil was de instrumentatie: de Estudiantina-orkesten maakten gebruik van kleine barok pauken (pailas criollas) in plaats van bongo's. Deze film uit 1929 is de enige bekende uit deze vroege periode van de Cubaanse traditionele muziek.


Estudiantina La Arrolladora

In de tweede helft van de jaren twintig van de twintigste eeuw was dit het bekendste en populairste Estudiantina-orkest. Ontstaan in Santiago de Cuba “Estudiantina La Arrolladora” (1926) onder leiding van tresero Narciso Sánchez, bijgenaamd “Guayabito”. Onder de bandleden is een van de broers van Francisco Repilado (de later wereldberoemde Compay Segundo), Juan. In een interview met Compay Segundo vertelde hij dat hij dit orkest echt waanzinnig vond klinken. “Omdat ik nog te jong was mocht ik nog niet mee spelen maar mijn oudere broer Juan wel”, aldus Compay Segundo met een glimlach op gezicht. In deze groep speelden veel bekende muzikanten van die tijd, gitarist Eusebio Moreno, Felipe Valverde (die ook een eigen Estudiantina-orkest had), gitarist Randiche, trompettist Chirivico. Opmerkelijk was dat deze Estudiantina in met drie gitaristen en één tresero speelde. Daarnaast: contrabas, handpercussie, de kleine barok timpani (pailas criollas) en trompet. Jammer genoeg zijn er geen geluidsopnamen van deze zo populaire groep bewaard gebleven.


Estudiantina Oriental de Ricardo Martínez

kan als een van de pioniers worden gezien van de Estudiantina-traditie. Samen met Gerardo Martínez, Guillermo Castillo y Nery Cabrera vormde hij de bekende “Cuarteto Oriental” die opnamen maakte in Columbia in 1917. Het kwartet veranderde al snel in een sextet waarna het in 1919 veranderde in “Sexteto Habanero”, maar al snel verlaat Ricardo Martínez deze groep en vervangt Carlos Godinez hem op de tres. Ricardo was sinds 1910 in Havana, en na het verlaten van de groep Sexteto Habanero, organiseerde hij verschillende kwartetten en kwintetten om te spelen in de restaurants en cafés. In deze periode stichtte hij ook zijn “Estudiantina Oriental” in Havana in 1925. De Estudiantina stijl was een muzikale vorm die was ontstaan in de oostelijke Provincies van Cuba, even oud als de sexteto’s, en misschien zelfs ouder. Het orkest bestond uit, tres, twee gitaren, bas, klein percussie en de zo typerende kleine barok pauken (pailas criollas) in plaats van de gebruikelijke bongo’s. De ritmische klanken waren gemiddeld langzamer in tempo dan gebruikelijk was (liever achter de tel dan dan ervoor) maar verdween langzamerhand door het succes van de Sexteto's en hun manier van spelen.


Estudiantina Sonora Matancera

Het orkest ontstond in een van de 6 provincies van Cuba, Matanzas, op 12 januari 1924. Valentín Cané en zijn buurman richtten een ensemble op waaronder 4 gitaristen, een tres en een “cornetín” (een soort Chinese trompet) onder de naam “Tuna Liberal”. De naam is ontleend aan de politieke partij Partido Liberal waarvoor zij veel speelden. Na de komst in 1926 van Manuel Díaz Alonso, beter bekend als Caíto, werd de naam veranderd in Septeto Soprano (7 man), vanwege het specifieke stemgeluid van Caíto. Hij zou tot aan zijn dood (1990) bij het orkest blijven. Deze naam werd echter maar kort gebruikt.

Op aanraden van Caíto werd iets later Rogelio Martínez Díaz (gitarist en zanger) aan het ensemble toegevoegd. Deze zou pas veel later een doorslaggevende leidende rol gaan spelen in het succesverhaal van Sonora Matancera. Ook werd de naam veranderd in Estudiantina Sonora Matancera. Estudiantina is een toevoeging die veel gebruikt werd voor studentenkoren en groepen met veel zang en getokkelde snaarinstrumenten, vooral in Spanje. Het ensemble was één van de vele sextetten en septetten uit de jaren 20 zoals Sexteto Machín, Matancero, Nacional, Munamar e.a. Alfredo Zayas Alonso “El Chino” was toen president van Cuba. Rogelio Martínez werd in 1932 de rechterhand van leider Don Valentín Cané (pas in 1948 werd hij de definitieve leider), en nu ging het orkest strategischer en zakelijker opereren en werd het langzamerhand een toonbeeld van discipline (er werd b.v. tijdens optredens niet gedronken!) en herkenbaarheid.


De trompet verving in 1935 de cornetín in de persoon van Calixto Leicea die eerder bij María Teresa Vera speelde. Eigenlijk kreeg het orkest pas zijn succesvolle, definitieve vorm met de komst van de pianist, Ezequiel Lino Frías Gómez in 1944.

De geschiedenis van Sonora Matancera is al even triest als succesvol. Het populairste en duurst betaalde orkest van Cuba, “La Perla de las Antillas” speelde voor de radio terwijl Fidel Castro en zijn strijders in 1959 Havana binnentrokken. De leden van Sonora Matancera, inclusief Celia Cruz waren helemaal niet tegen de omverwerping van het maffiose, corrupte regime van die dagen, integendeel. Maar al binnen een jaar waren de veranderingen op het eiland van dien aard dat het orkest besloot een tournee naar Mexico aan te grijpen om Cuba te verlaten. In het vliegtuig naar Mexico sprak de directeur van het orkest zijn mensen toe: “Ik heb een enkele reis geboekt, we gaan niet meer terug”. Celia Cruz barstte in tranen uit; ze zou haar geboorteland nooit meer terugzien.

De directeur Rogelio Martínez kon deze beslissing nemen. Het orkest was een hechte gemeenschap, een familie en werd als een bedrijf geleid. De orkestleden zorgden 24 uur per dag voor elkaar en waren in de weer voor repetities, optredens in nachtclubs, radio-uitzendingen en platen maken. Na de vlucht groeide ná 1959 een hele generatie jonge Cubanen op zónder de muziek van het meest Cubaanse orkest aller tijden. De oudere Cubaan had misschien zijn oude 78-toeren platen nog op een zolder opgeborgen. De muziek van Sonora Matancera was verboden, ze werden als verraders beschouwd door het regiem. Volgens zeggen liggen er in verboden archieven van radiostudio’s opnamen om van te watertanden.

Nog in de “bijbel” van de Cubaanse muziek “Diccionario de la música cubana” uit 1981, waarin alle biografieën van artiesten en bijzonderheden van de Cubaanse muziekstijlen worden besproken, wordt met geen woord gerept over deze vertegenwoordigers van het Cubaanse erfgoed. Pas in een latere editie besloten de meest fanatieke vertegenwoordigers van het regime aan deze gekkigheid een einde te maken en werd, zij het heel summier, de naam van Celia Cruz vermeld en zowaar haar geboortedatum, iets wat Celia Cruz zèlf altijd verborgen had weten te houden. Celia Cruz was immers inmiddels al sinds 1972 de “Queen of Salsa” geworden door toedoen van o.a. Johnny Pacheco (uit Dominicaanse Republiek). Hij, groot fan van Sonora Matancera, bracht met een orkest dat in alles leek op zijn grote voorbeeld een plaat uit onder de titel CELIA Y JOHNNY die de geschiedenis in zou gaan als de meest verkochte Latin LP aller tijden. Celia Cruz was inmiddels over de gehele wereld een beroemdheid. Sommige jonge Cubanen hadden haar natuurlijk wel eens stiekem voor de buitenlandse radio gehoord. Zij begrepen er niets van. Terwijl dus vanaf 1960 het orkest onverdroten de Cubaanse muziek de wereld “inspeelde” werd het in hun geboorteland doodgezwegen.

De muziek van Sonora Matancera was in geheel Zuid-Amerika een vanzelfsprekendheid. Het orkest werd veel geïmiteerd. In o.a. Mexico, Peru, Venezuela maar vooral ook in Colombia ontstonden orkesten (tot op de dag van vandaag) die weer op zichzelf redelijk beroemd werden. De naam SONORA hadden ze vaak in hun eigen naam verwerkt. Ook in Japan en in de vele “buitenlanden” waaronder Nederland, en natuurlijk de Antillen en Suriname was en is Sonora Matancera erg populair.


Estudiantina Típica Oriental de Pablo Armiñán

Opgericht in 1927. De muzikale leiding stond onder de bassist Paquito Portela. Deze Estudiantina was vooral uitzonderlijk om de grote groep geweldige trova-zangers, Armiñán met Pablo, Gabriel Rubio “El Trova”, Augusto Castillo en Juan Limonta om maar een paar te noemen die actief waren in dit Estudiantina-orkest. Vooral dankzij de zangkwaliteit werd het Estudiantina uitgenodigd om in Columbia te komen spelen. Meer dan een dozijn titels waaronder “Las mujeres de Santiago”, “Somos ocho Orientales”, “China tu no caminas” werden opgenomen. Helaas heeft dit Estudiantina maar kort bestaan en gingen de bandleden hun eigen weg in andere formaties. Pablo Armiñán is ongetwijfeld een van de grootste soneros van de Trova-stijl in Santiago de Cuba Hij behoorde tot de groep oprichters van het befaamde “Casa de la Trova” muziekhuis te Santiago de Cuba. Hij werkte veel met deze muzikanten en in het bijzonder, Manuel Cardona voor wie hij grote bewondering had.